18-08-08

BRUXELLES MIDI

Een zomerse – nu ja - vrijdagavond, zeven uur. Ik kom te vroeg aan in het Zuid-Station. Enkele daklozen liggen hun roes uit te slapen op de natte tegels van een van de brede inkomhallen aan de achterzijde, kant Frankrijkstraat. Een jonge, potige en erg dronken Afrikaanse vrouw ontlast zich openlijk tegenover de haveloze slapers. Ik schrik en versnel mijn pas, springend over het kortstondig riviertje. Ik kijk laf weg van het haast middeleeuws tafereel. Zoveel menselijke treurnis, zoveel ellende op enkele vierkante meters. Het lijkt een tafereel uit een roman van Emile Zola.

Ik haast me naar de grote hal. Ik ga koffie drinken terwijl ik op mijn achtjarige dochter wacht die, gelukkig begeleid, van de kust komt.

Het vernieuwde Zuid-Station mag er best zijn. Mooie winkelcentra, bloeiende horecazaken en een vlotte verbinding met het openbaar vervoer. Het station past als gegoten bij een wereldstad als Brussel. Een fraaie toegangspoort naar andere Europse grootsteden als London en Parijs.

De ligging van “Sam’s café” biedt een overzichtelijk uitzicht over de drukte in de enorme centrale hal. Pendelaars, rugzak- en andere toeristen, groepjes jongeren en arme drommels defileren al dan niet gejaagd voor mijn tafeltje. Na een tiental minuten zie ik de Afrikaanse dronken vrouw zwalpend telefoneren. Ze valt mensen lastig en stoot verschrikte reizigers aan. Ik duik mijn sporttijdschrift weer in. Oogcontact vermijdend.

Ik lees dat het Brussels Gewest een groot aantal atleten naar Peking afvaardigt. Méér dan één op vijf Belgische atleten is in een Brusselse gemeenten geboren. 21 van de 96 topsporters is Brusselaar. Één tiende zou logischer zijn. Brussel is niet uitsluitend een stad van behoeftigen en Eurocraten. De auteur van het artikel, van oorsprong een ninovieter, is bij ons blijven hangen. Mensen als Geert Foutré zijn een zegen voor de stad. Velen ontvluchten de hoofdstad na de hogere studies, een periode van nieuwsgierigheid, genot en zelfbevestiging. Sommigen blijven. Gelukkig maar.   

We mogen trots zijn op Anthony Vanden Borre, Faris Haroun en Vincent Kompany (Olympische voetbalploeg), de familie Borlée (atletiek) en de vele Brusselse hockeyspelers die de natie met hart en ziel vertegenwoordigen.

Daar valt echter niets van te merken in het Zuid Station, een “landmark” waar dagelijks duizenden bezoekers langskomen. Noch elders. De “Midi” is vuil, smerig en groezelig. Waarom verstoppen we onze sporthelden voor de buitenwereld? Vincent Kompany beschouwt het als een eer om als Brusselaar in Bejing te mogen presteren. Zijn werkgever, de Duitse topclub Hamburg SV, eist hem terug na twee wedstrijden. Kompany heeft daar lak aan en wil blijven.

“Bruxelles- Midi” zou aangekleed moeten zijn met de beeltenis van al onze lokale helden. Ze zijn groot in België, bekend in het buitenland maar miskend in Brussel. We zijn méér dan Kriek, het Atomium en de Basiliek van Koekelberg (Waar overigens ook niets van te merken is).

Het wordt de hoogste tijd dat we trots en assertief de stad en haar helden promoten op plaatsen waar we dagelijks bezoek krijgen van buitenaf. In Stations, luchthavens en andere publieke plaatsen.

Maar eerst toch even de hoge druk reiniger uit de garage halen. 

 

  

  

14:36 Gepost door David Steegen in Actualiteit | Permalink | Commentaren (0) | Tags: olympics |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.